Druk de brief af als PDF en voeg die als bijlage bij het bericht.
Geachte mevrouw Van de Poll,
Ik heb uw bericht van 28 oktober 2026 ontvangen, binnen de termijn van tien werkdagen die ik in mijn brief van 22 oktober vroeg. Ik ga hieronder in dezelfde orde op uw antwoord in. Wat u hebt beantwoord, herhaal ik niet opnieuw; deze brief gaat over wat nog openstaat.
1. Het onderlinge regres: uw grond draagt de weigering niet. U schrijft dat de twee uitzonderingen niet zijn op te nemen, omdat alle schuldeisers gelijk moeten worden behandeld, en omdat een uitzondering als deze de indruk geeft dat schuldeisers buiten het traject zijn gehouden. Ik leg daar drie dingen tegenover.
Op punt 1a van mijn brief gaat uw antwoord niet in. U schrijft dat de vorm van het huwelijk ten opzichte van de wet niet uitmaakt. Dat is juist, en daarom rust punt 1a ook niet op het huwelijk: het rust erop dat ik betalingen heb gedaan voor verplichtingen waartoe mevrouw Ajaoun jegens een schuldeiser gehouden was. Die vorderingen zijn door de betaling zelf ontstaan en zijn geen schulden van het traject, zodat zij buiten de afstand vallen — ook wanneer er geen huwelijk en geen gemeenschap van goederen is.
Uw eigen volzin bevestigt dat de verklaring verder reikt dan de schulden die nu bekend zijn: u schrijft dat een vordering die later boven komt geen probleem of vertraging geeft, juist omdat de verklaring dan al is ondertekend. Dat is precies de reden waarom de grens in de tekst zelf moet staan. Zonder die grens strekt de afstand zich uit tot vorderingen die nu niemand kent en waarover niets is afgesproken.
2. De twee bepalingen in de verklaring. Op mijn verzoek om twee bepalingen in de verklaring op te nemen, bent u niet ingegaan: dat ondertekening geen erkenning inhoudt van enig feit dat niet in de verklaring staat, en dat de afstand vervalt indien het traject eindigt zonder kwijtschelding van de daarin betrokken schulden.
De tweede bepaling kost u niets, en dat zegt u zelf: u schrijft dat in het wettelijke traject het regresrecht automatisch vervalt, omdat ik daar met een schone lei overblijf. Als dat zo is, kan een bepaling die de afstand laat vervallen wanneer het traject zonder kwijtschelding eindigt, uw positie niet raken. Ik verzoek u haar op te nemen. De eerste bepaling is geen voorwaarde van mij, maar een grens aan de verklaring zelf: ondertekenen is geen erkenning van een feit dat er niet in staat.
3. De wederkerigheid. U schrijft dat een minnelijk traject niet mogelijk is als de regresverklaring niet door mijn ex-partner is ondertekend. Daarmee zegt u dat de verklaring door ons beiden wordt ondertekend. Ik verzoek u te bevestigen dat u haar dezelfde tekst voorlegt, met dezelfde uitzonderingen, en dat ik daarvan een exemplaar ontvang voordat ik onderteken. Een verklaring die alleen ik onderteken, is geen afstand van onderling regres, maar een eenzijdige afstand.
4. De stabilisatieovereenkomst.
Bij de namen in die aanduiding nog dit, want daarin schuilt een verwarring die ik niet in het dossier wil laten staan. Three Wise Men is een entiteit en geen handelsnaam waaronder ik handel. De handelsnaam die dezelfde woorden draagt, is van een eerdere tijd: zij was een idee van mijn vader en is onder de orde van mijn moeder werkelijkheid geworden. Die eerdere handelsnaam staat los van de huidige entiteit met dezelfde naam en heeft daar geen invloed op; uit die naam vloeit voor de entiteit, noch voor mij privé, enige verplichting voort. Ik verzoek u daarom de herkomst van de schulden in de overweging toe te lichten, zodat de geschiedenis in het stuk staat zonder dat een entiteit of een oude handelsnaam partij wordt.
5. De vordering van Kravia. Op de vordering van Kravia (voorheen PayQ), kenmerk CC26017762, voorheen CC26014894, hebt u niet geantwoord. Ik heb u daarover op 20 oktober 2026 om 19:46 uur geschreven, met de brief van 19 oktober 2026. De termijn die Kravia mij stelde, is op 20 oktober 2026 verstreken. Uw overeenkomst betreft de zorgverzekeraar; de invordering door Kravia loopt dus door. Dat is precies de reden waarom ik uw standpunt nodig heb voordat ik onderteken.
6. De huwelijksvorm. U schrijft dat de vorm van het huwelijk ten opzichte van de wet hier niet voor uitmaakt. Voor het regres maakt zij inderdaad niet uit, zie punt 1. In het dossier maakt zij wel uit, want daar staat het huwelijk als grond van de aansprakelijkheid, in uw eigen woorden: ‘gezien het huwelijk’. Dat feit is niet juist. Mevrouw Ajaoun en ik hebben een convenant gesloten in de zin van de nikkah; een huwelijk in de zin van de wet is dat niet, en de rechtbank heeft het ook niet als zodanig aanvaard. Ik verzoek u dat in het dossier te corrigeren. Dat is geen concessie over het regres, maar de correctie van een feit waarop in het dossier een aansprakelijkheid is gebouwd.
7. Termijn en orde. Ik onderteken de afstandsverklaring en de stabilisatieovereenkomst zodra de antwoorden op de punten 1, 2, 3, 4c en 4d en 5 zijn ontvangen en door mij zijn beoordeeld. Ik verzoek u binnen tien werkdagen na de datum van deze brief te reageren, dus uiterlijk donderdag 12 november 2026.
Met vriendelijke groet,
Muktar Wali Sadat